Overslaan en naar de inhoud gaan

Werkgeversaansprakelijkheid, deel II


In mijn blog van juli 2021 gaf ik al aan dat een werkgever op verschillende gronden gehouden kan zijn de schade van een werknemer te vergoeden. In deze blog zal ik ingaan op het goed werkgeverschap zoals verwoord in artikel 7:611 Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Dit artikel luidt als volgt: ‘de werkgever en de werknemer zijn verplicht zich als een goed werkgever en een goed werknemer te gedragen’. Ook niet-juristen zullen begrijpen dat dit een wel erg ruim geformuleerde wettelijke bepaling is die op verschillende manieren uitgelegd kan worden. Want wat maakt dat jij je gedraagt als een goed werkgever of goed werknemer?

Allereerst is goed om op te merken dat artikel 7:611 BW ziet op situaties die niet onder het in mijn eerdere blog beschreven artikel 7:658 BW vallen. Artikel 7:611 BW is van toepassing in situaties waarin een bijzondere omstandigheid maakt dat de werkgever vanwege het bestaan van een gezagsverhouding gehouden kan worden de schade van de werknemer te vergoeden ondanks dat de werkgever vaak geen echte zeggenschap heeft. Om dit beter te kunnen begrijpen haal ik twee voorbeelden uit de rechtspraak aan.

Behoorlijke verzekering

Een werknemer is in de door hem bestuurde taxi bij het oversteken van een onbewaakte spoorwegovergang aangereden door een trein. Als gevolg van deze aanrijding heeft hij ernstig letsel opgelopen en is hij volledig arbeidsongeschikt geraakt om als chauffeur te kunnen werken. Hij stelt zijn werkgever aansprakelijk, maar de aansprakelijkheid wordt door de werkgever, de rechtbank en het hof afgewezen. De Hoge Raad oordeelt echter als volgt:

De aan het gemotoriseerde verkeer verbonden, door velen met grote regelmaat gelopen, risico's van ongevallen hebben mettertijd geleid tot een goede verzekerbaarheid van deze risico's tegen betaalbare premies. In het licht hiervan is de werkgever, uit hoofde van zijn verplichting zich als een goed werkgever te gedragen, gehouden zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering van werknemers wier werkzaamheden ertoe kunnen leiden dat zij als bestuurder van een motorvoertuig betrokken raken bij een verkeersongeval.

Vorenstaand komt er op neer dat wanneer de werkgever in een dergelijk geval geen behoorlijke verzekering heeft afgesloten, hij zich niet heeft gedragen als een goed werkgever. Hij is dan om die reden gehouden de schade van de werknemer te vergoeden. De Rechtbank Noord-Holland oordeelde vorig jaar dat een door de werkgever afgesloten ongevallenverzekering niet voldoende is om aan het vereiste van goed werkgeverschap te voldoen. Voor meer informatie hierover verwijs ik naar mijn blog van juli 2020.

Val tijdens werkuitje

De werkgever die in deze zaak werd aangesproken organiseerde ongeveer eenmaal per kwartaal op vrijdagmiddag, na werktijd, een ontspanningsactiviteit voor haar medewerkers. Onderdeel van onderhavig uitje was een workshop dansen op rollerskates (dat zijn rolschaatsen met vier wielen onder een vaste schoen). De les was uitbesteed en vond plaats in de kantoorhal van het bedrijf. De vloer van die hal is van marmer. In een aangrenzende kantoorruimte waar banken stonden en vloerbedekking lag konden de rollerskates worden aangetrokken. Nadat de werknemer enkele meters op de rollerskates in de marmeren hal had gereden, kwam zij ten val waarbij zij haar linkerpols brak. De breuk is hersteld, maar er heeft zich een posttraumatische dystrofie ontwikkeld. De werknemer spreekt haar werkgever aan voor de schade.

De Hoge Raad oordeelde dat de werkgever zich niet heeft gedragen als een goed werkgever. Indien een werkgever voor zijn personeel een activiteit organiseert of doet organiseren waaraan een bijzonder risico op schade voor de deelnemende werknemers verbonden is, moet de werkgever uit hoofde van de eisen van goed werkgeverschap de redelijkerwijs van hem te verlangen zorg te betrachten ter voorkoming van die schade. Doet hij dat niet dan moet de schade die ontstaat door de werkgever worden vergoed, aldus de Hoge Raad.

In deze zaak waren geen beschermingsmiddelen, zoals knie- en polsbeschermers, uitgereikt en was er geen rolschaatsinstructie is gegeven. Dit terwijl het risico op vallen aanzienlijk was. Ook waren de werknemers er niet op gewezen dat er geen verzekering was afgesloten voor schade. De werkgever diende derhalve op grond van artikel 7:611 BW de schade van cliënte te vergoeden.

Conclusie

In alle situaties waarin er schade ontstaat waarbij er sprake is van een verband met de uitoefening van arbeid is het de moeite waard te onderzoeken of een werkgever aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade. En welk wetsartikel daarop van toepassing is. Dit zal zoals vaak aan de hand van de omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld.